Faalangst

faalangst Het is de angst om bij een taak te mislukken en ontstaat in situaties waarin het kind door iemand beoordeeld wordt of denkt te worden. Als hij hetzelfde klusje in zijn eentje doet (zonder publiek), is er vaak niets aan de hand. Kinderen met faalangst zijn bang dat ze door een slechte prestatie de waardering van hun ouders, klasgenoten en leerkrachten verliezen. Ze blokkeren, haken af, gaan nieuwe uitdagingen uit de weg of werken zo hard dat ze zelden nog ontspannen zijn.

Voor pubers met faalangst is die spanning juist te veel. Ze klappen dicht en krijgen tijdens een toets op school bijvoorbeeld een black-out, of ze presteren door de faalangst onder hun niveau. Dat bevestigt hun angst dat ze het niet kunnen, wat de volgende keer nog meer faalangst geeft.

Mogelijke signalen zijn:

  • • Hoofdpijn
  • • Maag- of darmklachten (diarree/braken)
  • • Hartkloppingen
  • • Zweten
  • • Hyperventilatie
  • • Nagelbijten
  • • Verlegen
  • • Gesloten of juist heel druk gedrag (de clown uithangen)
  • • Liegen, smoezen verzinnen
  • • Veel piekeren
  • • Opmerkingen als ‘ik kan toch nooit wat’ en ‘dat gaat vast fout’

Iemand met faalangst:

  1. Raakt onnodig zenuwachtig, voordat hij een prestatie moet leveren
  2. Krijgt zweethanden, rode vlekken, een droge mond of braakneigingen voordat hij moet ‘presteren’
  3. Heeft slaapproblemen in de dagen voor een prestatie
  4. Kent de stof voor een toets vaak prima, maar krijgt tijdens het maken een black-out
  5. Stelt uit, wacht af of verzint smoesjes om iets niet te hoeven doen
  6. Onderschat zijn eigen kunnen en denkt dat anderen beter zijn
  7. Heeft vaak een negatief zelfbeeld en vindt dat hij niets goed genoeg kan doen.

Wie heeft er last van?

Jaarlijks wordt bij 8 tot 12 procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs een vorm van faalangst vastgesteld. Opvallend is dat bijna alle kinderen met faalangst een ouder hebben die er ook last van heeft (gehad). Voor een deel zit de eigenschap in de genen, voor een deel kopiëren kinderen gedrag van hun ouders.

Negatieve faalangst

Negatieve faalangst zorgt ervoor dat je minder presteert dan nodig is. Je zou veel beter kunnen, maar de angst om het niet goed te doen verknoeit alles. Je hebt nog wel zo goed geleerd, maar tijdens de repetitie weet je ineens niets meer. Of tijdens de spreekbeurt haal je ineens alles door elkaar. Het kan zijn dat je begint te bibberen en te zweten en dat je kunt geen woord meer kunt uitbrengen, of dat je begint te stotteren.

Positieve Faalangst

Wanneer er sprake is van een angst die helpt om je juist beter te laten presenteren, dan wordt er van het positieve type angst om te falen gesproken.
Door deze angst ben je in staat om een betere prestatie neer te zetten in vergelijking tot gewone omstandigheden.

  • Je kunt je door deze angst beter concentreren.
  • Het gevoel van spanning en opgewondenheid geven je een extra stimulans.
  • Het kan wel zo zijn dat door dit type angst om te falen voordat de prestatie moet worden neergezet sprake is van negatieve gedachten. Echter tijdens het presteren ben je in staat om een goede prestatie te leveren, juist door deze prikkel.

Behandeling van faalangst wordt op onze praktijk zowel in groepsverband als individueel aangeboden.